Curio Praktijkschool Breda (CPSB)
CPSB verzorgt praktijkonderwijs voor circa 320 leerlingen van de praktijkschool, 30 leerlingen volgen de nieuwkomers arbeidstraining NA-ISK en 23 jongeren nemen deel aan projecten als Verbinding Arbeid en Toekomst (VAT) en Verhoging ArbeidsMarktwaarde (VAM). Er zijn 30 docenten aan de school verbonden. Daarnaast zijn er 30 personen als onderwijsondersteunend personeel werkzaam (“Schoolgids CPSB”, z.d.).
CPSB is een school voor voorgezet onderwijs voor leerlingen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar; leerlingen die, evenals hun leeftijdsgenoten op andere V.O.-scholen, behoefte hebben aan o.a. competentie en autonomie. De school bereidt haar leerlingen voor op zelfstandig functioneren in de samenleving, op functies binnen de arbeidsmarkt en biedt de leerlingen (doorstroommogelijkheden naar) opleidingen op onder andere assistent-niveau. De school creëert hiervoor een levensechte omgeving, die is afgestemd op de jongere met ruimte voor persoonlijke ontwikkeling, het aanleren van algemene competenties gericht op zelfstandig functioneren in de maatschappij en specifieke competenties gericht op deelname aan het arbeidsproces. De school legt daarbij de nadruk op aspecten van sociale redzaamheid, emotionele ontwikkeling en arbeidstoeleiding.
Het pedagogisch- en didactisch handelen binnen het onderwijs heeft de ‘Verbindende Communicatie’ als uitgangspunt. Deze werkwijze draagt bij aan het concreet vormgeven van:
- Het bevorderen van samenwerken door win-win creëren als uitgangspunt te nemen.
- Intrinsieke motivatie te zoeken en te stimuleren van hieruit te werken.
- Eigenaarschap en eigen verantwoordelijkheid
- Te kiezen voor herstellen in plaats van te straffen en het aanleren van een uitgebreid scala van strategieën om tot oplossingen te komen (“Schoolgids CPSB”, z.d.).
Het praktische karakter van de school wordt in leerjaar 1, 2 en 3 benadrukt door de praktijklessen koken, technisch onderhoud, zorg in en om het huis, groen en huisadministratie. Door deze lessen kan de leerling aan het einde van het eerste leerjaar een goed overwogen sectorkeuze maken uit de sectoren: zorg en welzijn, techniek, dienstverlening en groen. Deze keuze kan in de loop van het tweede en eventueel derde jaar nog gewijzigd worden.
Doelgroep
CPSB is een school voor leerlingen die door een cognitieve beperking niet in staat worden geacht om met succes een reguliere (beroeps-) opleiding af te ronden. Het is een plek waar leerlingen zich kunnen welbevinden binnen een pedagogisch klimaat waar de nadruk ligt op veiligheid en structuur. Daarnaast wil de school met een verfijnde (pedagogische en didactische) zorgstructuur elke individuele leerling op zijn/haar niveau optimale ontplooiingskansen bieden.
De leerlingen binnen het praktijkonderwijs worden geplaatst op basis van intelligentie (IQ 60-75/80) en leerachterstanden groter dan 3 jaar op tenminste 2 van de 4 domeinen technisch lezen, begrijpend lezen, spelling en inzichtelijk rekenen. Dit betekent dat ze over het algemeen didactisch functioneren op het niveau van hoogstens groep 5 van de basisschool.
Uitstroom vindt plaats naar dagbesteding, baangarantie, regulier bedrijfsleven en vervolgopleidingen. (“POS schoolrapport ondersteuning”, z.d.).
Als ik de probleemstelling goed wil onderzoeken moet ik eerst in de theorie gaan duiken van de eerste deelvraag: “Hoe kiest de leerling?” Om duidelijk te krijgen waarom leerlingen op een bepaalde manier kiezen bekijken we verschillende stukken relevante theorieën.
Besluitvorming
In de besliskunde heeft men het erover dat menselijke beslissingen worden onderzocht vanuit verschillende perspectieven. Ik hou de indeling aan welke gebruikt wordt door Baron (2007). Hij ordent modellen en theorieën over besluitvorming in drie perspectieven: normatief, descriptief en
prescriptief.
Het normatieve perspectief omvat theorieën en modellen die de mens zien als rationeel. De rationele beslisser volgt een gestructureerd besluitvormingsproces bestaande uit vier stappen (Cabantous, Gond & Johnson-Cramer, 2008).
- De eerste stap betreft het formuleren van het probleem op een dusdanige wijze dat verschillende alternatieven beschikbaar zijn om het probleem op te lossen.
à Ik moet één van de vier aangeboden sectoren gaan kiezen. - De tweede stap bestaat uit het beoordelen van de gevolgen van elk alternatief door aan elk alternatief een waarde toe te kennen en een schatting te maken van de kans dat het alternatief werkelijkheid wordt.
à Welke sector past bij mij? - In de derde stap van het besluitvormingsproces worden de alternatieven met elkaar vergeleken. Optimalisatie of maximalisatie van de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen impliceert dat het alternatief met de hoogste verwachte waarde wordt gekozen.
à Welke sector is het meest waardevol voor de toekomst? - De laatste stap betreft het implementeren van de beslissing door het nemen van de benodigde acties.
à Deze sector ga ik kiezen!
Modellen en theorieën in het descriptieve perspectief proberen een theorie te ontwikkelen over het beslissingsgedrag van mensen. Onderzoek is in eerste instantie gericht op het in kaart brengen van verschillen tussen feitelijk gedrag en gedrag zoals beschreven door modellen in het normatieve perspectief. Ik breng de meest relevante voor dit onderzoek aan het licht.
De rol van emoties bij besluitvorming
Onderzoek naar emoties richt zich onder andere op gevoelens van spijt, teleurstelling en risico. Etzioni (1988) gaat er vanuit dat normatief-affectieve aspecten samenhangen met bijvoorbeeld de informatie die verzameld wordt, de manier waarop die informatie verzameld wordt, de opties die in gedachten worden genomen en de uiteindelijke keuze die gemaakt wordt. Emoties worden in het onderzoek naar beïnvloedingsfactoren gezien als kenmerken van het sectorkeuzeproces.
Individuele verschillen bij besluitvorming
Soane en Nicholson (2008) hebben meerdere onderzoeken naar individuele kenmerken die van invloed zijn op besluitvorming samengevat. Individuele kenmerken worden daarbij onderscheiden in de volgende categorieën: biologisch, interne processen, attitudes en capaciteiten. Binnen de categorie biologisch lijken leeftijd en sekse van invloed op beslissingsgedrag. Psychologisch onderzoek bijvoorbeeld wijst in de richting van verschillen tussen mannen en vrouwen als het gaat om risicomijdend gedrag. Ook individuele kenmerken als motivatie, persoonlijkheid, risico-oriëntatie, zelfregulering en self-efficacy lijken van invloed op hoe mensen beslissingen nemen. Met name de kenmerken persoonlijkheid en risico-oriëntatie vertonen samenhang met hoe mensen omgaan met risico’s. Deze benadering veronderstelt dat individuele kenmerken van invloed zijn op hoe leerlingen hun sectorkeuze maken en dat het niet gaat om een gelijke wijze van besluitvorming die voor iedereen hetzelfde is.
Sociale context van besluitvorming
Beslissingen worden niet alleen genomen door individuen, maar ook door groepen van mensen. Groepen gaan op andere manieren om met risico’s dan individuen. De literatuur over groepsbeslissingen geeft aan dat mensen zich gedurende besluitvormingsprocessen laten beïnvloeden door anderen. Bij de sectorkeuze gaat het niet om groepsbeslissingen, maar om individuele beslissingen van de leerlingen. Het is daarbij wel van belang om rekening te houden met de mogelijkheid dat personen in de omgeving van de studenten van invloed zijn op het beslissingsproces van leerlingen. Denk hierbij aan de toekomstwens van ouders/verzorgers maar ook aan vriendengroepen die bijvoorbeeld bij elkaar willen blijven.
Beeld theorie
De essentie van beeld theorie is dat mensen beelden hebben over wat ze waardevol vinden en willen bereiken. De theorie onderscheidt drie groepen beelden:
- Waarden en principes
- Doelen en aspiraties
- Manieren waarop mensen denken hun doelen te realiseren
Deze beelden spelen een belangrijke rol in de screening van opties in het keuzeproces. Opties die niet passen bij één van de drie beelden worden niet meegenomen in het keuzeproces. De beeld theorie veronderstelt dat leerlingen bij het maken van sectorkeuzes eerst een voorselectie maken uit het totale aanbod van de vier sectoren. Dit gebeurt als het ware in het tweede jaar wanneer leerlingen een eerste keuze en een tweede keuze maken en hier vervolgens lessen in krijgen. In dit jaar worden de twee sectoren die overblijven na de voorselectie nader onderzocht en wordt een keuze gemaakt.
Het prescriptieve perspectief probeert de normatieve en descriptieve benadering te verbinden- (Baron, 2007). Gebruik makend enerzijds van beschrijvingen van de ideale wijze van besluitvorming en anderzijds van beschrijvingen van hoe mensen feitelijk besluiten nemen, wordt gezocht naar manieren om besluitvorming van mensen te ondersteunen en te verbeteren. Ik ga in op een tweetal manieren om de kwaliteit van het besluitvormingsprocessen te verbeteren aangezien deze al
worden toegepast op CPSB:
Vergroten motivatie
Een manier om de motivatie te vergroten is door beslissers verantwoording af te laten leggen over hun beslissing. Als mensen weten dat ze hun beslissing moeten uitleggen aan anderen dan leidt dat tot meer inspanningen en meer gebruik van informatie, vaak resulterend in betere beslissingen. Op CPSB wordt gebruik gemaakt van een sollicitatie bij de sector waar je voor wilt gaan kiezen. Dit
sluit perfect aan bij bovenstaande manier.
Gebruik van groepen
Een groot voordeel is dat in groepen meer ervaring en/of meerdere perspectieven aanwezig zijn om besluiten te nemen. Bij nieuwe taken kan dat leiden tot meer creativiteit in het zoeken naar opties die bijdragen aan het oplossen van het probleem. Groepen lijken het meest effectief als ze divers zijn samengesteld en die diversiteit ook weten te behouden (Larrick, 2007). Bij sectorkeuzes gaat het om individuele keuzes van studenten. Studenten kunnen echter wel gebaat zijn bij het voorleggen van hun besluitvormingstraject aan een groep, omdat door diversiteit in de groep nieuwe perspectieven op de sectorkeuze naar voren kunnen komen. Om deze reden maakt CPSB uren vrij in lessen van de eerstejaars leerlingen om het sectorkeuzeproces gezamenlijk te bespreken en te behandelen.
Motivatie
Wat motiveert de leerling?
Op tweede deelvraag is een groot en divers antwoord te geven. Er zijn heel veel factoren en processen die een leerling kunnen beïnvloeden in zijn/haar keuzeproces. Ik belichte de meeste relevante voor onze doelgroep en het sectorkeuzeproces.
De introductie van de sectoren kan gezien worden als een proces dat van invloed is op de kwaliteit van het onderwijs op CPSB in termen van bijvoorbeeld rendement, doorstroom of aansluiting bij de arbeidsmarkt. Als leerlingen goede sectorkeuzes maken studeren ze harder en volgen ze minder vaak een tweede keuze (Van Deuren, 2010). Van belang is het verwerven van inzicht in zichzelf én inzicht in beroepsbeeld en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (Researchcentrum voor Arbeidsmarkt en Onderwijs, 2005). Hieruit haal ik direct dat het van belang is dat de leerlingen op een uitgebreide wijze kennis maken van het te verwachten beroepsbeeld en hun perspectief op de arbeidsmarkt.
Aansluiting bij persoonlijke belangstelling
De onderzoeken op het gebied van vakkenkeuze geven aan dat de mate waarin een vak aansluit bij de persoonlijke belangstelling een belangrijke variabele is. Het is in een aantal onderzoeken zelfs de meest belangrijke variabele van invloed (Van Deuren, 2010). Het belang van persoonlijke interesse bij de vakkenkeuze lijkt echter wel te verschillen per situatie. Wiskundevakken worden bijvoorbeeld minder op basis van persoonlijke belangstelling gekozen en meer op basis van bruikbaarheid (Wilson et al., 1994). Vaak is het de meest belangrijke variabele die genoemd wordt door studenten. Uit het bovenstaande blijkt dat de variabele aansluiting bij persoonlijke belangstelling één van de meest belangrijke variabelen is bij de keuzes die (aankomende) studenten maken. De doelgroep van CPSB zal zowel persoonlijke belangstelling maar zeer zeker ook de bruikbaarheid van de sector in zijn/haar toekomst mee nemen bij het keuzeproces.
Praktijkervaring en opdrachten
Babad et al. (1999) en Babad (2001) vonden dat kenmerken van het studiemateriaal een motief zijn bij de vakkenkeuze van studenten. Ook Owen en Jensen (2004) vonden dat de soort opdrachten van invloed was op de vakkenkeuze van studenten. In de Studentenmonitor van drie opeenvolgende jaren (ITS/Radboud Universiteit Nijmegen, 2005, 2006; Ministerie van OCW, 2004) noemt circa 10% van de studenten de mogelijkheid om praktijkervaring op te doen een belangrijk studiekeuzemotief. Uiteraard is praktijkervaring opdoen de rode draad op CPSB. Daarnaast haal ik uit de theorie dat de soort opdrachten tijdens het onderwijs ook van belang kan zijn. Van belang is om duidelijkheid te geven over de toekomst van de leerling bij sector.
Kenmerken docenten
Onderzoeken van Babad en Tayeb (2003) geven aan dat kenmerken van docenten van invloed zijn op de vakkenkeuze van studenten. Voor jongerejaars studenten lijken humor en stijl meer van belang en voor ouderejaars studenten worden expertise en deskundigheid belangrijker. Dit vanuit de veronderstelling dat aankomende studenten docenten als rolmodel zouden zien.
Aansluiting bij eigen capaciteiten
Uit onderzoek van Oostwoud Wijdenes (1997) blijkt dat de verwachte aansluiting bij de eigen capaciteit van behoorlijke tot grote invloed is op de vakkenkeuze van studenten. In dit onderzoek blijkt telkens dat de verwachte aansluiting bij de eigen capaciteiten op de 2 e of de 3e plaats van de meest belangrijke studiekeuzemotieven staat. Uit bovenstaande kan afgeleid worden dat aansluiting bij de eigen capaciteiten zeker een rol speelt bij de keuzes van (aankomende) studenten.
Toekomstperspectief
Het blijkt dat bijdrage aan de latere loopbaan wel van invloed is op de vakkenkeuze van studenten. Uit onderzoek van Rochat en Demeulemeester (2001) blijkt dat studenten niet alleen de verwachte inkomsten laten meewegen, maar ook de verwachte kans op succes. Uit dit onderzoek blijkt ook dat dat vrouwen minder belang hechten aan werkgelegenheid en verwachte toekomstige verdiensten dan mannen. Deze onderzoeken bevestigen daarnaast ook het beeld dat studenten die kiezen voor opleidingen op het gebied van economie en techniek deze aspecten van groter belang vinden dan studenten die kiezen voor sociale wetenschappen, educatie en gezondheidszorg. Bij de sectorkeuze op CPSB zullen naar verwachting de loopbaanmogelijkheden zeker een rol spelen. Belangrijk zal zijn de leerlingen goed te informeren naar het verwachte toekomstperspectief.
Individuele kenmerken
Modellen over consumentengedrag houden rekening met de invloed van individuele kenmerken op het keuzeproces, zoals motivatie, betrokkenheid, perceptie, leren, waardes, emoties en persoonlijkheid (Nederstigt & Poiesz,2003). Bij de sectorkeuzes op CPSB spelen individuele kenmerken eveneens een rol. Het is algemeen bekend dat vrouwelijke leerlingen minder voor techniek kiezen dan mannelijke leerlingen. Individuele kenmerken zijn daarnaast van invloed op de mate waarin belang wordt gehecht aan kenmerken van het onderwijsaanbod en het gebruik van bronnen van informatie en advies. Zo blijkt bijvoorbeeld dat vrouwelijke leerlingen minder belang hechten aan arbeidsmarktaspecten dan mannelijke leerlingen. Naast geslacht blijken individuele kenmerken als ras (Brooks, 2002) van invloed op het keuzeproces.
Bronnen van informatie en advies
Ouders
In een onderzoek van Warton en Cooney (1997) werd geconstateerd dat 70% van de ondervraagden leerlingen in dezelfde leeftijdscategorie raad vraagt aan hun ouders en die raad ook waardevol vindt. Ouders hebben invloed op de opleidingskeuze van hun kinderen, maar het gaat vaak om een beperkte tot matige invloed in vergelijking met de invloed van andere variabelen. De invloed van ouders op onderwijsbeslissingen neemt af als de kinderen ouder worden. Ook blijkt leeftijd van invloed op de mate waarin ouders worden geraadpleegd (Moogan en Baron, 2003); naarmate de leeftijd toeneemt, neemt de invloed van ouders af. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ouders van invloed kunnen zijn op het keuzeprocessen. In vergelijking met andere variabelen lijkt die invloed echter beperkt. Ik heb mij daarom in het onderzoek niet gericht op ouders.
Vrienden/studiegenoten
Onderzoek gericht op de vakkenkeuze van studenten richt zich op twee soorten invloeden van vrienden en leeftijdgenoten. Het blijkt dat de directe invloed van de keuze van vrienden en leeftijdgenoten op de keuze van de student nauwelijks aanwezig is; studenten laten zich bij vakkenkeuze niet beïnvloeden door de keuzes die hun vrienden maken maar het belang van vrienden en leeftijdgenoten als informatiebron is daarentegen wel aanwezig. De informatie van leeftijdgenoten die het vak gevolgd hebben wordt daarbij van meer belang geacht dan de informatie van leeftijdgenoten die het vak niet gevolgd hebben. Het lijkt mij dan ook waardevol om leerlingen te laten informeren door leerlingen uit de bovenbouw die al een keuze voor een bepaalde sector hebben gemaakt.
Mentoren/docenten
In een onderzoek onder jongere leerlingen vonden Wharton en Cooney (1997) dat een ruime meerderheid de mentoren/docenten als informatiebron gebruikt en deze informatie ook waardevol vindt. In het onderzoek van Maringe (2006) vormen mentoren/docenten de meest belangrijke bron van informatie & advies. Mentoren/docenten blijken dus veel invloed uit te oefenen op de keuzeprocessen.